Thursday 19 November, 2009 Pleidooi voor de poortwachter: Pamela Anderson, Hannah Arendt en andere stokpaardjes van Andrew Keen
,,Ik geloof eerlijk gezegd niet meer dat internet de ondergang van onze cultuur bewerkstelligt,’’ zegt Andrew Keen als we een half uurtje na zijn gastcollege tegenover elkaar in een van de werkkamers van de Hogeschool Van Amsterdam zitten. Eerder die ochtend had hij nog met stelligheid het tegenovergestelde beweerd. Een betoog dat hij naarmate het uur verstreek en er meer kritische vragen vanuit de zaal werden gesteld, steeds meer zou relativeren. De interessante paradox van Keens optreden blijft dat hij juist dankzij alle tegenspraak en relativering z’n eigen ideeën weer bekrachtigt.
De Britse mediacriticus en auteur Andrew Keen was door de HvA uitgenodigd om gastcollege te geven over de vraag of er op het internet nog wel emplooi is voor mediaprofessionals nu naar zijn zeggen het web voor bijna honderd procent speelbal is geworden van ‘amateurs’. Dat laatste is immers wat hij ruim tweehonderd pagina’s achtereen beweert in zijn spraakmakende boek ‘The Cult of the Amateur’ uit 2007 – en een jaar later in Nederland verschenen onder de titel ‘De @-cultuur’.
In feite draait Keen in Amsterdam gewoon het verhaal af dat hij al honderden keren op spreekbeurten heeft verteld sinds het verschijnen van zijn boek: dat de komst van web 2.0 – het interactieve internet waarbij de consument tevens de leverancier van de kennis is – de kenniswereld in handen van populisten en non-valeurs dreigt te vallen, of zelfs al gevallen is. Het web kent geen ‘poortwachters’, is één van zijn onvermoeibaar voortgalopperende stokpaarden. Kennis hoort volgens Keen te worden bewaakt door deskundigen, professionals, zoals de redacteuren van de befaamde Encyclopedia Britannica. Maar dat eerbiedwaardige oude naslagwerk dreigt failliet te gaan omdat steeds meer mensen er tegenwoordig de voorkeur aan geven om iets even snel op de door amateurs opgebouwde internet-encyclopedie Wikipedia op te zoeken.
Er is al van alles tegen deze stelling van Keen ingebracht. Maar wat naast alle feitelijkheden ook tegen Keen pleit is de suggestie van rancune. De Brit was zelf in de jaren negentig naar Californië gegaan om – hij geeft het ruiterlijk toe – fortuin te maken in de internet-business. Hij startte een commerciële website waarop men tegen betaling gedegen muziekrecensies van professionele muziekcritici kon lezen. De zaak ging echter failliet toen anderen dezelfde artikelen op sites en blogs plaatsten waar ze gratis konden worden geraadpleegd. Keen boos.
In plaats van een andersoortig internetbedrijf op te zetten, begon Keen als het ware zijn boosheid te exploiteren en schreef ‘Cult of the
Amateur’. Dat het zonder toestemming op internet publiceren van teksten van anderen een schending van het copyright is, dat is wel duidelijk. Dat valt in principe ook wel aan te pakken – al zijn de kosten daarvan waarschijnlijk vaak aanzienlijk hoger dan de baten. Daar liet Keen het echter niet bij. Hij fulmineert tegen de belabberde kwaliteit van veel ‘content’ die afkomstig is van amateurs – Wikipedia voorop. Het web is volgens hem gevuld met een immense hoeveelheid bagger, waarbinnen de pareltjes serieuze ‘content’ amper nog te ontdekken zijn. En Google is de grootste boosdoener, ‘the quintessential 2.0 company’ zoals Keen het noemt – oneliner-specialist als hij is.
Een voorbeeld dat Keen vaak gebruikt om aan te geven hoezeer Wikipedia geregeerd wordt door populisme is zijn bewering dat het Wikipedia-artikel over een onbenullige actrice en pin-up als Pamela Anderson op Wikipedia aanzienlijk omvangrijker is dan dat over de belangrijke Duitse filosofe Hannah Arendt. Iedereen kan er met een paar simpele muisklikken achter komen dat dat niet waar is – niet bij de Nederlandstalige en niet bij de Engelstalige Wikipedia.
Maar stel nu dat het wel zo zou zijn geweest, wat zegt dat dan nog? Niets over Wikipedia in ieder geval. Laten we ons eens voorstellen dat er morgen zowel van Anderson als van Ahrendt een Nederlandstalige biografie in de winkels ligt. Allebei tweehonderdenvijftig pagina’s en allebei twintig Euro. Degelijke ouderwetse media dus. Gegarandeerd dat het boek over Anderson op korte termijn veel beter verkoopt dan het boek over Ahrendt. Daar durf ik we een fraai design USB-stickje onder te verwedden. Maar let op de woorden ‘korte termijn’, want daar zit ‘m de kneep. Er van uitgaand dat Pamela niet zoals Marilyn uitgroeit tot een tijdloos icoon – en dat doet ze niet omdat ze daar veel te ordinair voor is – zal ook de belangstelling voor haar inzakken zo snel als ze haar Playboy-maten verliest. De belangstelling voor Ahrend daarentegen is gebaseerd op veel substantiëlere zaken. Dus zal men haar Wiki-artikel de komende honderd jaar of langer – er even van uitgaand dat Wikipedia zo lang bestaat – blijven corrigeren en aanvullen. Als het nu niet reeds uitgebreider was dan het lemma over Anderson, dan zou het dat op de lange termijn zeker worden.
Dat is het soort zaken waar Andrew Keen wel erg gemakkelijk overheen stapt. Iets dergelijks geldt voor één van zijn andere telkens terugkerende klachten over het internet: De ‘noise’ of brij aan inferieure of zelfs ronduit foutieve en misleidende informatie die het web dreigt te verstoppen. De massa aan door amateurs voortgebrachte kennisbagger die de kwaliteits-informatie verstikt en verdringt. Zakt die op den duur niet vanzelf naar de bodem? vraagt een student in Amsterdam. Komt de kwaliteit uiteindelijk niet altijd toch bovendrijven en weet beetje slimme websurfer die dan niet op te pikken?
Het zijn opmerkingen die Keen bij z’n spreekbeurten reeds talloze keren gehoord moet hebben en zijn verweer, zijn vluchtweg, is niets anders dan de schietstoel. ,,Daar zou je gelijk in kunnen hebben,’’ zegt hij. ,,Maar je moet mijn boek vooral zien als een polemiek. Ik wil iets ter discussie stellen.’’
Hoezeer hij zichzelf ook relativeert, er blijven in Keens betoog enkele dogma’s overeind waar hij met geen mogelijkheid vanaf te brengen is.
Bijvoorbeeld dat het inzetten van professionals voor het leveren van ‘content’ onlosmakelijk betekent dat je als internetgebruiker ook moet betalen voor het lezen van die ‘content’. Hij definieert een ‘professional’ als iemand die z’n kennis en arbeid inzet voor z’n eigen gewin. Uit de mond van iemand die naar Californië ging om fortuin te maken is zo’n opmerking niet vreemd. Maar is het ook waar? Is het dan onmogelijk dat een professional vanuit een roeping of idealisme kennis op het web zet en het zo met anderen deelt? En zelfs dan kan dit ‘altruïsme’ nog omslaan in profijt, als de professional zich dankzij die weggegeven content zo weet te profileren dat hij of zij er weer betaalde arbeid aan over houdt.
Goed beschouwd zegt Keen dat zelf trouwens ook, tijdens het tweede deel van zijn gastcollege, waar hij belooft nader in te gaan op de kernvraag van de ochtend: Is er een toekomst voor professionele internetwerkers?
Wat dat betreft heeft zijn inzicht en visie zich sinds het verschijnen van zijn boek in 2007 aanzienlijk ontwikkeld, zegt Keen. Ja, hij ziet een toekomst. Alleen ontleent de professional van de toekomst z’n status en dus z’n kansen op de markt niet meer aan zoiets als een opleiding of zelfs een indrukwekkende cv. Het gaat nu, beklemtoont hij, om ‘reputation and attention’. En om daaraan te werken moet je maximaal gebruikmaken van internet – de sociale netwerken voorop. Zelf zweert hij bij Twitter. Véél followers krijgen en dat doe je volgens Keen door je te onderscheiden. ,,Het internet is een pr- en marketingplatform. Je maakt er naam voor jezelf. De uitdaging is om de aandacht te trekken. Maar dat is ook alles. Geld moet je elders verdienen.’’
Het product waar vraag naar is; waar mensen voor willen betalen; de schaarste. Dat product vind je niet op het web, aldus Keen. Het is de fysieke aanwezigheid. Dat geldt voor een artiest die een concert geeft – terwijl zijn of haar muziek gratis of voor een grijpstuiver te downloaden is. En het geldt voor Keen zelf – hoe provocerend hij ook is ofjuist omdat hij zo provocerend is, mensen willen hem in een zaal horen spreken, vragen stellen, een boek laten signeren.
Web 3.0 noemt hij die toekomst van het internet. ,,Ik geloof niet dat dat een betere wereld is,’’ vervolgt Keen. En hij heeft nog een bijna apocalyptische slotboodschap voor de Amerdamse mediastudenten: ,,Het is een wereld die nog meer gekenmerkt zal worden door eenzaamheid en competitie. Maar het is wel de realiteit.’’
Een half uur later zitten we tegenover elkaar in een van de werkkamers van de hogeschool. Keen praat op die voor hem inmiddels zo karakteristieke lijzige manier waar altijd een beetje spot in doorklinkt. Tegelijk is hij een man die onmiddellijk de oren spitst als iemand wat tegen zijn verhaal wil inbrengen en dat is weer leuk. Hij lijkt het als een uitdaging te zien als hij onder vuur genomen wordt. Al is zijn verdediging soms zoiets als het opwerpen van een weinig subtiele muur van zandzakken.
Natuurlijk heeft hij het in zijn college over internet gehad; dat is hem immers gevraagd. Het is ook zijn specialiteit. Maar het lijkt bij Keen soms alsof de hele huidige toestand van de wereld – inclusief kredietcrisis en Mexicaanse griep – het directe gevolg zijn van amateurs die het internet volplempen met slechte en nutteloze informatie.
Is de teloorgang van de aandacht voor kwaliteit – Beethoven, Shakespeare, Keen noemt ze keer op keer in zijn spreekbeurten – niet veel meer het gevolg van andere gebeurtenissen die in feite los staan van het internet? De met het postmodernisme gepaard gaande ontideologisering, bijvoorbeeld, waardoor de culturen van de diverse ‘zuilen’ elkaar niet langer in stand houden en die de weg heeft geëffend voor het monopolie van het marktliberalisme? In dat geval is het internet geen wortel van alle kwaad, maar een gereedschap van datzelfde marktliberalisme, waar goedkoop zegeviert over kwaliteit.
,,Dat is inderdaad een interessante optie,’’ zegt Keen. ,,Ik geloof eerlijk gezegd niet meer dat internet de ondergang van onze cultuur bewerkstelligt.’’ Hij zegt de laatste tijd steeds meer na te denken over de relatie tussen technologie en ideologie. Een onderwerp dat wat hem betreft een plaats krijgt in een volgend boek.
Ook de scherpe tegenstelling tussen oude en nieuwe media die Keen graag schetst is discutabel. Tijdens zijn spreekbeurt heeft hij het over zijn treinrit van Ede naar Amsterdam die ochtend. Dat er zoveel reizigers een krant zaten te lezen. Een – volgens Keen – kwaliteitsmedium dat nog door echte professionals wordt gemaakt. Even doorvragen leert dat veruit de meeste van die kranten de Metro of de Spits waren. Kranten die grotendeels gevuld zijn met wat men de avond ervoor ook al op de website nu.nl kan lezen en met minimale middelen in elkaar gezet.
Zijn de oude media, de kranten, niet het slachtoffer van hetzelfde markt-liberalisme waar het met zoveel pulp gevulde internet het gevolg van is? Keens landgenoot Nick Davies legt in zijn vorig jaar verschenen ontluisterende boek ‘Flat Earth News’ kraakhelder uit hoe de geschreven pers – en trouwens ook radio en televisie – genadeloos worden uitgehold door het marktdenken.
Andrew Keen knikt. Hij kent het boek uiteraard. Hij benadrukt nogmaals dat hij vooral polemisch wil zijn. Zaken ter discussie wil stellen. Al blijft het natuurlijk een kwalijke zaak dat mensen niet gewoon willen betalen voor het werk van anderen, zoals een cd die maar zo’n vijftien Euro kost, geen geld! Daar komt de voormalige zakenman weer even bovendrijven.
Of de huidige zakenman, natuurlijk. Want Keen weet drommels goed dat de werkelijkheid heel wat complexer in elkaar zit dan hij in zijn boek beschrijft. En hij geeft dat ook zonder aarzeling toe.
Maar oneliners verkopen nu eenmaal beter – zeker als je van spreekbeurten leeft. En hetzelfde geldt voor simpele analyses. Hij wil uiteindelijk alleen maar aantonen wat er kan gebeuren als iedereen maar gedachteloos en kritiekloos achter iets aan hobbelt, zegt Keen. Dus zijn verhaal komt eigenlijk gewoon neer op: Denk na bij wat je doet?
Dan zijn we het toch nog helemaal eens geworden.
Links:
andrewkeen.typepad.com













November 19th, 2009 at 11:42
[...] This post was mentioned on Twitter by Atze de Vrieze, Jean-Paul Keulen. Jean-Paul Keulen said: RT @atzedevrieze: Andrew Keen: "Ik geloof eerlijk gezegd niet meer dat internet onze cultuur te gronde richt." http://short.to/xiwi [...]
November 19th, 2009 at 19:42
Andrew Keen. Gaap! Volgens mij sla je de spijker meerdere keren boven op z’n kop, maar zo’n lang artikel is haast te veel eer voor zo’n man. Zijn persoonlijke/zakelijke frustraties een beetje te gelde maken! Hoe durft ‘ie!
November 20th, 2009 at 16:07
Raak! De contradicties in de ’spreekbeurten’ van Keen worden helder uiteengezet. Hetgeen wat mij betreft nog mist, is de misplaatste vergelijking die Keen maakt van de internet cultuur en het Marxisme; de trend op het web is volgens mij nog altijd individualisereing en geen collectivisme.